De klewang, een uniek Nederlands blank wapen

Note: scroll down for the English translation.


“In vage legende gehuld, in dodelijke strijd geboren.”

Artikel geschreven door A.M. de Jong.

Iedere Nederlander heeft weleens van een klewang gehoord, of je nu een HEMA-beoefenaar bent, een militair of een burger. Maar wat is een klewang nu eigenlijk?

Onder een klewang, ook wel de Marechaussee-sabel genoemd, wordt verstaan een kort houwwapen of hakmes met een zeer scherpe, nagenoeg rechte of zwak gebogen eensnijdende kling, die naar de punt toe breder wordt alwaar zij recht of schuin wordt afgesneden. Daarbij is de “snavelpunt” of clipped point erg kenmerkend voor dit wapen. Verder heeft de kom veel weg van de bekende sabel met als verschil dat de kom alleen de buitenkant van de rechterhand beschermt. De klewang lijkt sterk op een sabel maar is net iets kleiner en meer compacter.

foto Klewang M.1911 (privécollectie)

De ontstaansgeschiedenis van de klewang

De klewang heeft zijn oorsprong in het voormalig koloniale Nederlands-Indië, nu het huidige Indonesië.  Gedurende de gehele 19e eeuw vonden daar koloniale acties en oorlogen plaats waarbij de Nederlandse troepen, als het op een gevecht met blanke wapens aankwam, vaak het onderspit dolven. Dit lag niet alleen aan de te lange en te zware wapens maar ook aan de relatieve ongeoefendheid van de soldaten te voet betreffende sabelgevechten.  Ook de op het Beaumontgeweer vastgemaakte bajonet bleek te langzaam ten opzichte van de vliegensvlug gehanteerde inlandse (lokale) zwaarden. Daarnaast waren de verstrekte machetes ook niet echt geschikt voor daadwerkelijke gevechten.  De Nederlandse soldaten riepen dan ook om een korter, handzamer en effectiever zwaard.

Het Koninkrijk der Nederlanden raakte op een gegeven moment slaags met het sultanaat Atjeh wat resulteerde in de Atjehoorlog (1873-1914). In eerste instantie leed het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL) verliezen en lukte het niet om Atjeh onder koloniaal bewind te krijgen. De lokale bevolking vocht met groot patriottisme en moed, geholpen door hun superieure guerillatactiek en hun bedrevenheid met het vechten met hun klewangs. Na een aantal jaren ging het KNIL over op een andere tactiek. De Marechaussee te voet, niet te verwarren met de huidige Koninklijke Marechaussee (KMAR), werd opgericht. De Marechaussee te voet kon men zien als de huidige Special Forces. Dit korps werd speciaal opgericht om de orde in Atjeh te helpen handhaven. De manschappen waren allemaal “inlanders” (voornamelijk Javanen, Menadonezen en Ambonezen) en zij werden uitgerust met beproefde Atjehse wapens als de Gliwang (zwaard) en Rentjong (dolk). Deze eenheid voerde langdurige counter-guerrilla-aanvallen uit. De inlandse soldaten waren hiervoor beter geschikt want zij kenden het terrein beter, waren beter gewend aan het klimaat, konden daardoor langer in het veld blijven en waren zelf ook meer bedreven met een blank wapen in tegenstelling tot de meeste gemiddelde Europese soldaten. Hun uitrusting bestond uit een dolk, karabijn (kort geweer) en een Klewang naar eigen keuze. Vanwege de dichtheid van de jungle en het op elk moment aangevallen kunnen worden uit een hinderlaag, was de klewang steeds meer het wapen die men het snelst kon gebruiken en het effectiefst was. Het KNIL zag de grote potentie van het wapen in en vanaf 1898 werd het een officieel wapen van de Marechaussee, de KNIL, het KL  en verscheidende Politiekorpsen. De naam werd definitief verbonden aan het wapen, het ontwerp werd verbeterd, en zo was de klewang geboren.

De kenmerken

Het waarmerk van elke klewangkling is zijn typische punt die op de klingrug bolvormig is uitgehold. Deze uitsnijding is zo gevormd dat de punt bijna in het middelpunt van de kling ligt. De klingsnede sluit daar in een flauwe bocht op aan. Om de punt tweesnijdig te maken, is ook de uitholling scherp geslepen.

Waar komt deze typische punt nou vandaan? Een gebogen sabelkling heeft in beginsel een asymmetrische eensnijdende punt omdat de snede aansluiting moet vinden op de klingrug, die doorgaans nagenoeg recht tot aan de punt doorloopt. Een sabelkling is in principe altijd gebogen en bestemt voor een houw of een slag waarbij de kromming van de klingsnede zorgt voor een snijdende werking. Bij een rechte sabelkling (een steeksabel bijvoorbeeld) gaat dat niet zo makkelijk, maar door de massa van het wapen ontstaat er door de slag of houw altijd wel een wond. Vele sabels zijn echter zwak gebogen omdat er, mocht de gelegenheid voorkomen, er af en toe ook gestoken mee kon worden naast de snijdende werking van de gebogen kling. Om deze reden veranderde men bij vele kromme sabelklingen sinds de 16e eeuw de punt zodanig dat hij van een zogenaamd rugscherp werd voorzien. Daaraan werden allerlei vormen gegeven.

De punt van de Marechaussesabel lag in het midden van de breedte van de kling. Door de boogvormige rugsnede, echter, bleef hij zelf ook asymmetrisch waardoor er een punt ontstond die “snavelvormig” wordt genoemd, ook wel bekend als de clipped point. De opperbevelhebber van het Indisch leger wilde zo’n punt hebben omdat er dan ook makkelijk gaten gemaakt konden worden in riemen. Hoewel dat in theorie zou kunnen kloppen, is het vrijwel zeker dat men koos voor de clipped point omdat men in de eerste plaats een dergelijke puntvorm wilde geven opdat men met de kling zowel gestoken als gehouwen kon worden.

Naast de punt is de korf of beugel/stootplaat ook kenmerkend voor de klewang. De beugel beschermt alleen de rechterkant van de zwaardhand, in dit geval de rechterhand. Dit in tegenstelling tot de beugels van de meest gangbare sabels die we kennen die bolvormig zijn. De bolvorm werd als hinderlijk ervaren toen er ook gekozen werd om de klewang recht langs het been te gaan dragen.

Een laatste waarmerk is de lengte van het blad. Een klewang is zo’n 30 centimeter korter dan een gemiddelde sabel, wat een aantal voordelen heeft. Een voordeel is dat het nergens achter in de jungle kan blijven haken. Een ander voordeel is dat het niet tussen de benen van de soldaat kan komen, en door de kortere lengte kan het nu ook langs de heup benedenwaarts gedragen worden.

Om te zorgen dat de schede niet uit de schoen (drager) kan vallen, is de draaiende schoen ontworpen. Deze zorgt ervoor dat de schede mee kan draaien en in de schoen blijft zitten in tegenstelling tot de starre schoen waarbij de schede uit de schoen gewipt kan worden als men bijvoorbeeld gaat hurken. Een nadeel is de juist weer geringere lengte zodat je wat dichter bij je tegenstander moet komen om hem uit te kunnen schakelen.

Specificaties Klewang Model 1911

Lemmet:                             staal, veerhard

Heft:                                     Notenhout

Stootplaatgarde:             staal, veerhard

Gewicht:                             790 gram

Totale lengte:                   760 cm

Lengte lemmet:                620 cm

Dikte lemmet:                  0,03 cm

De verschillende modellen

Er zijn veel verschillende modellen klewangs gemaakt vanaf ca. 1875 ook voor de verschillende krijgsmachtonderdelen als ook voor buitenlandse krijgsmachten.

Hieronder een overzicht van de 20 zover bekende modellen:

  1. Klewangvoormodellen
  2. Sabel Marechaussee O.I. M.1898 I. staat voor Oost-Indië, M staat voor Model
  3. Sabel Marechaussee O.I. M.1905
  4. Sabel Marechaussee O.I. M.1911
  5. Sabel Marechaussee O.I. M.1940
  6. Klewang O.I. M.1941
  7. Klewang Heiho 1943-1945
  8. Klewang T.N.I. N.I. = Tentara Nasional Indonesia, Tentara = Leger
  9. Klewang No.1 Koninklijke landmacht M.1912
  10. Klewang Marine (Mariniers) M.1912
  11. Klewang Marine (Adelborsten)
  12. Sabel Marechaussee h.t.l. M.1908
  13. Klewang Marechaussee M.1913
  14. Klewang No.1 Politie
  15. Klewang No.2 Politie
  16. Klewang No.1 Rijks Veldwacht
  17. Klewang No.2 Rijks Veldwacht
  18. Sabel Cavelarie O.I. oud Model verkort 1904
  19. Sabel Cavelarie O.I. M.1904 (ook wel Lange klewang genoemd)
  20. Naval Cutlass M.1917 U.S.A.

Elk model heeft zijn grote verschillen met zijn voorgaande model logisch gezien.

Maar er zijn ook grote verschillen tussen de verschillende onderdelen.

  1. De Klewangvoormodellen, de naam verraadt het al, verschillen met elk (later) model klewang vanwege hun samenstelling. De voormodellen zijn samengesteld uit gevesten van al bestaande sabelmodellen zoals die van de M.1876 en klingen van Atjehse afkomst;
  2. De sabel Marechaussee O.I. M.1898 is het eerste op grote schaal ingevoerde klewangmodel geheel van Europees ontwerp met fabrieksmatig in Europa gemaakte kling en gevest;
  3. De sabel Marechaussee O.I. M.1905 had 2 grote wijzigingen: alle stalen en metalen onderdelen werden blauwgeverfd en de angel werd vastgezet door een schroef i.p.v. te klinken;
  4. De sabel Marechaussee O.I. M. 1911 had 3 grote wijzigingen t.o.v. de M1905: de angel werd even breed gehouden als de kling. Het gebeurde weleens dat de angel afbrak waardoor enige soldaten tijdens gevechten weerloos werden. Daarnaast had het gladde houten handgrepen i.p.v. de kenmerkende sabelgreep (geribbelde houten greep die door een ijzeren rugkap werd vastgeklinkt aan de dunne angel, en de schede kreeg een klemveer om de monding en een wat grotere onderrug;
  5. De Marechausseesabel M.1940. Na de capitulatie van Nederland aan Duitsland kon het KNIL niet meer bestellen bij Hembrug wat in Duitse handen was gevallen en natuurlijkerwijs ook niet meer bij de Duitse fabrikanten uit Solingen. Dit model werd vervaardigd uit al beschikbare onderdelen en onderdelen gemaakt in Nederlands-Indië zelf. Het had ook zwarte bakelieten handgrepen i.p.v. houten, staalstructuur was anders en zo ook een anders lopende kling, alle messingonderdelen waren zwartgeverfd;
  6. De Klewang M.1941 werd in Amerika gefabriceerd. Dit model was grover en zwaarder en de kenmerkende hoekjes in de rondingen van het gevestkorf ontbraken. Daarnaast had het zwarte houten handgrepen en de schede en dragerriempje was uit een stuk gemaakt. De kling was ook voorzien van de naam van de maker namelijk Vince of Milsco;
  7. De Klewang Heiho. Door de Japanners ingevoerd tijdens de bezetting van Nederlands-Indië en uitgedeeld aan Militaire en Politie hulptroepen respectievelijk Heiho en Keibodan, die overigens geheel uit “inlanders” bestonden en het liefst nog ex-KNIL-militairen. De Japanners hadden veel KNIL-Klewangs buitgemaakt namelijk. De kling werd 40-45 cm lang en van de gevestkorf werden alle beugels weggezaagd zodat alleen een stootplaat overbleef. De schede werd hierop ook aangepast. Door deze aanpassing werd dit model klewang praktisch nutteloos aangezien je er niet goed meer mee kon houwen en steken. Als je al zoveel inlandse hulptroepen voor je hebt werken, is het niet denkbeeldig dat je uit veiligheidsoverwegingen een onpraktisch model wapen uitgeeft.;
  8. De Klewang TNI kenmerkt zich door de slechte kwaliteit en dat het is samengesteld uit alle beschikbare onderdelen die men maar kon vinden. In die tijd was Indonesië verwikkelt in een onafhankelijkheidsoorlog met Nederland en werd alles wat men maar in handen kon krijgen, gebruikt om als wapen te dienen;
  9. Klewang No.1 Koninklijke landmacht M.1912. Wapen zelf gebaseerd op de Klewang M.1911. Verschil zit hem in de schede. Schedes van het KNIL hebben een uitwendige koperen onderband. Schedes van de KL hebben een inwendige koperen onderband. Dit was geheel volgens traditie van in Nederland gebruikte lederen schedes van blanke wapens.
  10. De klewang Marine (Mariniers) is gebaseerd op de klewang KL M.1912 Dit model vervangt op den duur de al in gebruik zijnde Scheepssabel No1 en 2. Het verschil zit hem in de schede. De schede heeft geen inwendige klemveer en is daardoor wat platter. Tevens is het leder bruin gelakt;
  11. De klewang Marine (Adelborsten) is ook gebaseerd op de klewang KL M.1912. Sinds 1950 is al het lederwerk witgeverfd i.p.v. het bruine;
  12. Sabel Marechaussee h.t.l. M.1908. Sabel geen klewang afgeleid van de korte sabel no. 3 van de Koninklijke Landmacht. Als tegenhanger van de Nederlands-Indische Marechausseesabel.
  13. De Klewang Marechaussee M.1913. Het gevest was gebaseerd op de Cavaleriesabel M.1904. De kling had een botte snede en afgeronde punt. Daarnaast had deze klewang geen lederen maar een stalen schede. Aangezien de Marechaussee ook paarden bereed, waren er toch nadelen aan de lederen schede. Het leder zou sneller slijten door wrijving met het paard. Daarnaast zou het paardenzweet vlekken achterlaten op het lederwerk. Stalen scheden zouden langer meegaan. Om beschadigingen (deuken en knikken) uit de stalen scheden te krijgen, werden er mandrijnen bijgeleverd.

Toch werd de klewang alleen gedragen door onbereden Marechaussee, want te paard bleek de klewang te klein te zijn. De ruiter zou te ver moeten buigen om een slag te kunnen uitdelen. Vandaar dat de bereden Marechaussee op een gegeven moment toch weer met een sabel werden uitgerust, met stalen scheden uiteraard;

Klewang Politie No.1. Verzamelnaam voor allerlei mengvormen van klewangs die sinds 1900 in kleinere series voor diverse politiekorpsen werden gemaakt. In het algemeen 2 hoofdkenmerken:

  1. Klewang Politie No.1 met het gevest van de Marechausseesabel O.I. M.1911 en
  2. Klewang Politie No.2 met het gevest van de Nederlands-Indische Marechausseesabel M.1898/1905 of van de Klewang Marechaussee M.1913.

De verzamelnaam politiesabels wordt gebruikt voor Nederlands-Indische Marechausseesabels van allerlei modellen die i.p.v. KNIL-stempels stempels van de Indische Algemene Politie hebben;

  1. Klewang Rijks Veldwacht No. 1. Verzamelnaam voor Klewangs No.1 maar voorzien van een stempel RVW gevolgd door een serienummer;
  2. Klewang Rijks Veldwacht No. Verzamelnaam voor Klewangs No.2 maar voorzien van een stempel RVW gevolgd door een serienummer;
  3. Sabel Cavalerie O.I. Verkorte M.1904. Officiële KNIL-aanduiding van de in 1902 ingevoerde verkorte sabel M.1975 met verminderde gevestkorf en kleinere kling voorzien van een snavelpunt en ook geheel geblauweerd;
  4. Sabel Cavelarie O.I. M.1904. Deze Cavaleriesabel had een gevestkorf afgeleid van de Marechaussesabel M.1898 en word took wel de “lange klewang” genoemd.
  5. Naval Cutlass Model 1917. Deze cutlass is gemaakt in opdracht van de U.S. Navy en gebaseerd op de Klewang M.1911. Er waren destijds geen ontwerpen dus men had een M.1911 gekopieerd en naar eigen maatstaven aangepast. Grootste verschillen tussen de cutlass en de klewang waren de korf, die was geheel massief zonder uitsparingen aangezien het een Entersabel betrof, het staal was zwart i.p.v. geblauweerd en de drager van de schede was een geheel met de schede.

De verschillende fabrikanten

Naast de verschillen in modellen van de klewang en toebehoren, zijn er ook verschillen in de fabrikanten van de wapens.

  • De voormodellen werden vervaardigd uit klingen van inlandse wapensmeden te Tjikeroeh op Java in combinatie met Europese gevesten;
  • De M.1889 werd geleverd door Duitse fabrikanten Luneschloss te Solingen en Rheinische Metallwaaren- und Maschinenfabrik (RMM) te Sommerda;
  • De Europese modellen werden gemaakt door een aantal Duitse fabrikanten uit omgeving Solingen (o.a. Eickhorn) en de Artillerie Inrichtingen (A.I) aan de Hembrug in Nederland tot in 1940;
  • Na de capitulatie van Nederland in 1940 werden er klewangs gemaakt in Nederlands-Indië zelf in de Artillerie Constructie Winkel (ACW) te Soerabaja en later Bandung; daarnaast was de Werkplaats Draagbare Wapenen (WDW) als onderdeel van de A.I. in Nederlands-Indië ook betrokken bij het vervaardigen van klewangs;
  • Vanaf 1941 begonnen Amerikaanse bedrijven klewangs voor het KNIL te maken. Naast Nederland en Nederlands-Indië waren de Verenigde Staten het enige land dat ook klewangs in de bewapening had. Dat was de Naval Cutlass M.1917. Vince begon in 1941 klewangs te leveren aan het KNIL totdat Nederlands-Indië werd bezet door de Japanners. Er vonden nog wel wat wapens hun weg naar KNIL-afdelingen uitgeweken naar Australië maar de rest werd geconfisqueerd door Uncle Sam zelf voor de eigen troepen zoals de US Marines;
  • Milsco (Milwaukee Saddlery Company) leverde klewangs van 1947 tot aan 1950;
  • Na de oorlogen werden de klewangs steeds meer uit dienst genomen of opgedragen (versleten). Er moest vervanging komen en WKC uit Solingen bleek het enige bedrijf te zijn destijds in de jaren ’80 van de vorige eeuw die de klewang nog kon maken. WKC is eigenlijk ook de leverancier van alle andere blanke wapens van de Nederlandse krijgsmacht. WKC leverde vervolgens klewangs Marechaussee M.1913 (de wel bekende verchroomde klewangs met stalen schedes, aan de Koninklijke Marechaussee.

Gewapende onderdelen die de klewang gebruik(t)en

De klewang werd gebruikt door de volgende krijgsmachtonderdelen:

  • De Koninklijke Landmacht;
  • Het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL);
  • De Marechaussee te voet (onderdeel KNIL later opgegaan in KNIL zelf);
  • De Koninklijke Marechaussee;
  • De Koninklijke Marine;
  • Het Korps Mariniers;
  • Korps Rijkspolitie (1851 – 1993);
  • Korps Rijksveldwacht (1858 – 1940);
  • Korps Politietroepen (1919 – 1940);
  • Karabijnbrigades (voorloper ME) (1911 – 1940).

Tegenwoordig kan je het niet voorstellen, maar onze politie en ook buitenlandse politiekorpsen droegen ook zwaarden/sabels als deel van hun uitrusting. In de meeste gevallen waren het naar militair model, wat op dat moment het gangbare model was, maar dan een stukje kleiner. Hartsvangers, degens en sabels waren de meest voorkomende blanke wapens.

Voor de invoering van de gemeentewet in 1851 en daarmee ook de oprichting van het Korps Rijkspolitie werden alle politietaken verricht door de Koninklijke Marechaussee. De Rijkspolitie opereerde binnen de gemeentegrenzen. Vanaf 1858 opereerde het Korps Rijksveldwacht juist buiten de gemeentegrenzen. In 1919 werd het Korps Politietroepen opgericht als onderdeel van het leger. Deze troepen werden al snel ingezet bij rellen, onlusten en verstoringen. Daarnaast had je ook de karabijnbrigades. Deze waren uitgerust met een klewang, bajonet en karabijn. De karabijnbrigades waren de voorlopers van de huidige Mobiele Eenheden (M.E.).

foto Karabijnbrigade

In 1940 werd na de capitulatie van Nederland door de Duitsers de Bezettingsmarechaussee opgericht. De KMAR, Rijksveldwacht, Gemeenteveldwacht en het Korps Politietroepen werden samengevoegd onder de naam Gendarmerie der Staatspolitie. Eigenlijk het allereerste landelijke politiekorps maar toch anders. Alle troepen werden met de klewang uitgerust aangezien de Duitsers die in grote aantallen hadden buitgemaakt. Na 1945 werd het Korps Rijkspolitie weer opgericht en richten zij ook de Landelijke Bijstandseenheden op oftewel de Mobiele Eenheid. De ME werd uitgerust met de karabijn M1 en de klewang Landmacht M.1912. De ME gebruikte de klewang nog in 1963 bij de Boerenrellen in Hollandscheveld en in 1966 bij de Telegraaf-rellen te Amsterdam. In 1968 werd besloten om de klewang en sabel uit de uitrusting te halen.

Als enig ander land ter wereld vochten de Verenigde Staten van Amerika ook met de klewang. Het meest bekende model, de Model 1911, werd in licentie in de VS gemaakt en ging als de Navy Cutlass Model 1917 door het leven.  De US Marines onder andere vochten er mee in de Pacific tijdens WO2. Eigenlijk waren Amerikaanse bedrijven onder de naam VINCE en Milsco al klewangs voor het KNIL aan het maken voordat er werd opgeschaald voor Amerikaanse strijdkrachten. Aangezien Nederlands-Indië inmiddels door de Japanners bezet was, had de regering van de VS de in de maak zijnde klewangs geconfisqueerd en aan de eigen troepen uitgedeeld.

Gebruikswijze

De klewang werd net als de sabel in eerste instantie gebruikt als een solo wapen. De manschappen werden dan ook op dezelfde manier getraind in het gebruik ervan zoals men dat leerde met een sabel.

Europese KNIL-militairen die trainen met de klewang/karabijn

Toch zijn er grote verschillen:

  • Door zijn kleinere afmeting is de afstand waarin men vecht een stuk kleiner geworden met alle gevolgen van dien;
  • Door zijn kleinere maar robuustere afmetingen, was het wapen ook hetgeen die je overal en ten alle tijden meenam wat je ook maar ging doen. Het was zeer snel te gebruiken, geschikt voor de kleinere ruimtes en uitermate geschikt als eerste zelfverdedigingswapen. Men sliep zelfs in tijden van strijd ook met de klewang in de hand want een blank wapen was altijd paraat;
  • De klewang werd veel gebruikt in combinatie samen met een karabijn. Vanaf 1895 was dit de Mannlicher M95. Deze combinatiekeuze was destijds gebaseerd op het feit dat de gebruikte geweren en zwaarden iets te zwaar en te groot waren voor de lokale Indische militairen. De legerleiding besloot dan ook dat “inlandse troepen” uitgerust moesten worden met alleen de karabijn en de klewang. Deze combinatie was fysiek gezien beter geschikt voor hen. De Europese militairen die wat langer en wat fysiek sterker waren vergeleken met de Indische militairen bleven wel uitgerust met alleen het geweer en de bajonet. In de loop der tijd vervaagde het verschil tussen inlandse en Europese troepen en werden ook Europese militairen uitgerust met klewang en karabijn.

Overigens waren officieren ook uitgerust met de klewang in combinatie met een handvuurwapen.

Destijds kon je in Nederlands-Indië op elk moment van de dag en nacht vanuit een hinderlaag aangevallen worden.  Als de dreiging zo groot was, werd het bevel gegeven om in de Sipak awas oftewel de alarm-positie aan te nemen. De mannen gingen in de “Egel-opstelling” staan waarbij de mannen in 2 rijen rug tegen rug gingen staan om elkaar zoveel mogelijk te kunnen dekken en te beschermen. De klewang werd getrokken naast de al geladen karabijn. Viel de vijand aan, dan werd er vanaf de heup een buikschot gegeven met de karabijn.  Meestal had je geen tijd meer om te herladen na het afvuren van je enkelschots-grendelgeweer, want tegen de tijd dat je geweer was herladen, zat de tegenstander al op jouw lip met voor jou dodelijke gevolgen. De rechterhand had de klewang al vast bij de heft als de wijsvinger de trekker overhaalde. Vervolgens werd de klewang gebruikt als primaire wapen en fungeerde de karabijn niet meer dan als een bescherming van de linkerflank.

KNIL-patrouille in Egel-opstelling

Er werd voorgeschreven dat de soldaat de karabijn bij het magazijn met de linkerhand vasthield terwijl in de rechterhand de klewang werd vastgehouden. De klewang zat door middel van een handlis vast aan de pols. Een handlis was een aan het gevest van een sabel bevestigde leren polsriem, die als een lus om de pols werd gelegd en met een schuiver/passant strak kon worden aangetrokken. De handlis moest voorkomen dat men de getrokken sabel bij actie verloor of het mogelijk maken met de hand waaraan de sabel hing, een handvuurwapen te bedienen. Andere vormen van een polsbevestiging zijn de troddel of de meer bekendere sabelkwast wel of niet van leder.

In theorie was de handlis leuk verzonnen maar in de praktijk bleek het allemaal niet zo handig te werken om de klewang tijdens het schieten aan de pols te laten bundelen hopend dat men hem na het schieten snel kon vastgrijpen. Door de lengte van de handlis en het gewicht van de klewang aan het uiteinde van de lis was men gewoon niet in staat dit onmiddellijk na het schot te doen en de klewang paraat te hebben. Zoals eerder aangegeven in tijde van actie en razendsnel reageren kan zoiets dodelijk zijn. Leuk verzonnen dus maar gelukkig werd er wat op verzonnen door de mensen die er dagelijks mee werkten.

Om een snelle achtereenvolgende bediening van de twee verschillende wapens te verkrijgen was de volgende slimme oplossing bedacht. De ringvinger en de pink van de rechterhand werden onder de vuistbeugel, vlak voor de greep, gehaakt, waarbij de beugel naar achteren wees terwijl de soldaat de van dezelfde hand aan de trekker van zijn karabijn hield. Was de klewang onmiddellijk nodig, dan was een korte ruk met de arm en een (geoefende) draai van de pols voldoende om bij het loslaten van de trekker de kling naar voren en/of naar boven te zwaaien en tegelijkertijd de greep met alle vingers vast te grijpen.

Wat minder tot de verbeelding spreekt, is dat de klewang ook als multitool gebruikt werd. Mij is verteld dat het ook gebruikt werd om bomen mee te kappen, een weg te banen door de jungle, als schep, om klappers (soort kokosnoten) mee te openen, wilde zwijnen te slachten of zoals eerder vermeldt om gaatjes in riemen te maken en dergelijke.

De klewang hielp Nederlands-Indië mede te pacificeren maar vergeet niet dat het ook een gevreesd wapen is. De klewang in de handen van een getrainde vechter kan verschrikkelijke en dodelijke uitwerkingen hebben. Afgehouwen ledematen en hoofden waren geen uitzondering.

KNIL-patrouille in hinderlaag

Tegenwoordig is de Klewang alleen maar als ceremonieel wapen in gebruik bij de Koninklijke Marechaussee, bij de adelborsten van de Koninklijke Marine en Het Van Heutsz-regiment van de Koninklijke landmacht. Hedendaags zijn de meeste klewangs in het bezit van collecties van musea en/of privécollecties. Een enkeling beoefent er nog zijn krijgskunst mee. Er zijn nog bedrijven zoals het Amerikaanse Coldsteel, die replicawapens maken en het Duitse Bedrijf WKC uit Solingen maakt nog klewangs speciaal voor de Koninklijke Marechaussee. Trainingswapens zijn o.a. van kunststof gemodificeerde sabels. Naast de daadwerkelijke wapens zelf, zijn er militaire actierapporten, boeken en ander geschreven materiaal, foto’s en ander beeldmateriaal bewaard gebleven. Het is vergeleken met andere historische bronnen namelijk nog niet zo lang geleden dat dit wapen gebruikt werd.

De verschillende manieren van vechten

Tot zover bij mij bekend wordt het actief pareren met de karabijn al beschreven in het Voorschrift Scherm Oefening (V.S.O.) uit 1921. In dit Voorschrift heeft de steek de voorkeur om een tegenstander tijdens een vijandelijke klewangaanval te doen uitschakelen. Daarna kwam pas de houw. Er werd voorgeschreven dat de karabijn ook actief gebruikt mag worden om aanvallen te pareren om daaropvolgend met de klewang de tegenstander uit te schakelen.

Figuren uit het VSO 1921

Hoe men precies dient te schermen, moet nog nader onderzocht worden aangezien dit voorschrift een recente ontdekking is van mijn kant. Ik vermoed namelijk dat de loop van de karabijn naar het lichaam moet wijzen i.p.v. naar buiten en slagen probeert af te weren met het houtwerk van de kolf. Dit om schade aan de loop te voorkomen zodat men na het gevecht toch te kunnen schieten. Maar de afbeeldingen vertellen iets anders.

Het actief pareren met de karabijn ziet men ook terug in andere Europese wapencombinaties met bijbehorende vechtstijl. De combinatie klewang/karabijn kan vergeleken worden met zwaard/pareerschild, zwaard en beukelaar en rapier en dolk. Ook elders in het Indonesische archipel zie je vergelijkbare wapencombinaties.

De meeste soldaten kwamen uit voormalig Nederlands-Indië. Net als de Maori uit Nieuw-Zeeland hadden de Alifuru (een van de Molukse inheemse stammen) allemaal een eigen oorlogsdans. De bekendste daarvan is de Tjakalele waarbij voornamelijk de Parang (zwaard) en de Salawaku (rechthoekig pareerschild) werden gebruikt als wapens. Die krijgers waren zeer bedreven met de Parang en Salawaku en gaven hun vaardigheden dan ook traditiegetrouw door aan hun kinderen. De klewang/karabijn-manier van vechten kwam hen wel heel vertrouwd en bekend voor.

Een ander en wat bekender voorschrift is het Voorschrift voor de opleiding in het vechten met de blanke wapens oftewel de VOVBW uit 1937. In dit voorschrift wordt er iets heel anders voorgeschreven dan in het VSO 1921. Hier wordt voorgeschreven dat de karabijn niet actief gebruikt mag worden om aanvallen te weren.  De karabijn wordt hier strak langs het linkerdeel van het lichaam gehouden. Hierbij dekt de karabijn het lichaam van de kruin tot aan de lies. De klewang wordt gebruikt om en de vijandelijke aanval af te weren en vervolgens met een nahouw/nasteek/naslag de tegenstander uit te schakelen.

Oorspronkelijk niet de bedoeling, maar het kon gebeuren dat in noodgevallen de karabijn toch actief werd gebruikt om af te weren. Wat het vege lijf ook moge redden.

Figuren uit VOVBW 1937

Uit de figuren uit beide voorschriften ziet men dan ook de verschillende houdingen (volgens schoolvoorbeeld) die men aan moet nemen om te kunnen schermen.

In de tussenliggende jaren werd er ook gediscussieerd in het Indisch Militair Tijdschrift over het actief/passief gebruiken van de karabijn. Als bezwaar werd opgevoerd dat men bij het actief weren de 4 vingers en/of de hand zou kunnen verliezen na een verkeerde wering. Een ander bezwaar zou zijn dat men de karabijn minder makkelijk uit de hand zou kunnen grissen om zo tegen de soldaat te kunnen gebruiken. Wat het definitieve argument was, weet ik op het moment van schrijven niet maar het zou ook heel goed economisch kunnen zijn. Een karabijn is duur dus verlies of beschadiging is zeer kostbaar. Gezien de tijdsgeest (de crisisjaren ‘20- ‘30) is dat zeer aannemelijk. De voorstanders voerden vooral het beter kunnen beschermen van zichzelf als voornamelijk argument op. Alle argumenten werden met cijfers en feiten ondersteund.

Een mooi voorbeeld was dat er een aantal gewonden waren gevallen door toedoen van klewangaanvallen aan de rechterarm en een gewonde aan de linkerarm. Na navraag bleek de gewonde aan de linkerarm ook echt linkshandig geweest te zijn. De “karabijnarmen” waren allemaal ongedeerd.

Terwijl westerse landen in Europa hun legers trainden in voornamelijk vuurwapengebruik in combinatie met bajonetschermen en zelfs tot aan de 2e wereldoorlog met cavalerie, moesten de koloniale legers zoals die van Engeland, Frankrijk en ook Nederland zich anders voorbereiden op de strijd in hun kolonies. Daar vochten zij niet tegen Europese landen maar tegen Inlandse strijdkrachten die voornamelijk met blanke wapens vochten en ook met een totaal ander strijdtactiek.

Zo ook het KNIL. Het KNIL moest leren schieten met vuurwapens, ook leren schermen met de klewang maar ook met de op een geweer/karabijn vastgezette bajonet. De militairen moesten leren vechten tegen tegenstanders uitgerust met ook een klewang, klewang/dolk, bajonet op geweer/karabijn, sabel, klewang en schild, lans en schild, lansruiter, speer en zelfs nog in de 2e Politionele Actie tegen strijders met gepunte bamboestokken.

Je hoefde je als militair in ieder geval niet te vervelen in die tijd. In Nederland traden de Politiekorpsen ook op uitgerust met de klewang. Hoewel deze bot was, kwam dit wapen ook met een klap hard aan als er mee gezwaaid werd. De punt daarentegen was wel scherp. Het verhaal gaat de ronde dat er zelfs een dode bij is gevallen. In dit incident werd de klewang getrokken met de gedachte dat de dronken aanvaller de punt wel zou zien en zou stoppen. De dronkenman stopte ook wel maar pas nadat hij in de punt was gelopen. Uiteindelijk was men toch meer geïntimideerd door een blank wapen dan van een wapenstok.

De verschillende betekenissen van de klewang

De klewang heeft voor iedereen een andere betekenis. Zo is de klewang voor een leek een of ander zwaard. Voor een wapenverzamelaar is het misschien niet meer dan een mooi verzamelobject. Voor degene die ermee getraind en gebruikt hebben, verwijst het naar een bepaalde tijd in hun leven met een bepaalde emotie. Zo hebben Molukse KNIL-militairen en later hun nakomelingen de klewang ook helemaal toegeëigend en heeft de klewang in hun kringen een legendarische status gekregen maar het wapen was al ruim en breed omhuld door enige mystiek en folklore.

Binnen H.E.M.A. hebben wij zelfs een unieke positie want er leven op dit moment namelijk nog mensen die met de klewang hebben getraind, gevochten en gewerkt in tegenstelling tot bijvoorbeeld het langzwaard uit de 15e eeuw. We hebben dus eerste hand-vertellingen en ooggetuigenverslagen. Een eerstehandvertelling bijvoorbeeld is dat van een Nederlandse soldaat tijdens de slag om de Grebbeberg in de 2e wereldoorlog. Uit angst voor ontdekking kon hij zijn vuurwapen niet gebruiken en trok hij zijn klewang en heeft hij twee Duitse soldaten ermee geveld. Ook zijn er nog KNIL-veteranen in leven die het e.e.a. nog kunnen vertellen. Naast vertellingen kunnen zij ons ook laten zien hoe je zo’n wapen nu moet hanteren i.p.v. dat je het uit een boekje moet leren/lezen. Een van deze veteranen heb ik mogen ontmoeten en spreken in Museum Bronbeek op landgoed Bronbeek, het tehuis voor Indië-veteranen. Maar er is haast geboden. Deze mensen zijn er binnenkort niet meer vanwege hun hoge leeftijd. Gelukkig worden de verhalen opgetekend door familieleden en instellingen zoals het KITLV en Veteranenhuis Bronbeek.

Ondertussen beoefen ikzelf al wat jaartjes H.E.M.A. en ben ik ook geïnteresseerd geraakt in de sabel en van de sabel kwam ik uit op de klewang. Ook voor mij heeft de klewang iets mythisch. Vanaf dat moment ben ik de klewang, het beoefenen van de bijbehorende vechtstijlen en alles wat er omheen te maken heeft aan het bestuderen. Ik ben zelfs ook re-enacter geworden als lid van het X Bataljon KNIL van het VHM. Alles bij elkaar genomen is het een aardige kluif om te behappen want het gaat niet alleen maar om een vechtkunst maar ook om een heel leven wat er omheen zit en dat kan best emotioneel zijn.

Behalve dat de klewang een favoriet wapen van mij geworden is, maakt het dus ook onderdeel uit van ons cultuurhistorisch erfgoed. Op dit moment is er zeer grote belangstelling voor de tijd van het voormalige Nederlands-Indië, de KNIL en de 2e wereldoorlog in Azië. Daar is weinig van bekend bij het algemene Nederlandse, Indonesische en Molukse publiek. De generatie die het meegemaakt heeft, sterft langzaam uit door ouderdom. Vele (klein)kinderen weten niet wat hun ouders en andere familieleden hebben meegemaakt. Die ouderen praatten daar niet over omdat er nog veel oud zeer is. Hun (klein)kinderen zijn nu op een leeftijd dat zij het wel willen weten. Ik ben daar geen uitzondering op. Helaas zijn mijn grootouders al overleden maar gelukkig kan ik nog veel van anderen te weten komen hoe het leven vroeger was naast de vertellingen van mijn grootouders en om meer te weten te komen van mijn afkomst. Ik was altijd al gek op geschiedenis geweest en het is altijd goed om te weten waar je vandaan komt.

Ik ben dus van Nederlands-Molukse afkomst. Mijn Ambonese opa en vele andere familieleden hebben vroeger allemaal in dienst gezeten in het KNIL.  Voor vele Molukse mannen was het ook een eer om soldaat te zijn in het KNIL. Met grote trots vertelde mijn opa samen met mijn oma dan ook over het (soldaten)leven in voormalig Nederlands-Indië voordat zij op dienstbevel naar Nederland moesten komen vanwege de onafhankelijkheidstrijd van het huidige Indonesië. Dat is een ander verhaal. Mijn opa moest natuurlijk wel zijn uitrusting inleveren en zo ook zijn klewang maar de verhalen en zijn trots kon hij houden en delen met zijn (klein)kinderen.

Ik hoop dan ook dat door mijn fascinatie, de beoefening, het bestuderen en onderwijzen dat dat deel van onze geschiedenis met trots ook levend en in ere gehouden kan worden en dat wij het alles niet zouden vergeten. Want dat zou eeuwig zonde zijn.

A.M. de Jong zelf


Photo sources:

  • Foto 1: uit privécollectie A.M. de Jong;
  • Foto 2: uit Klewang, Catalogus van het legermuseum, J.P. Puype & R.J. De Sturler Boekwijt, 2001;
  • Foto 3: uit collectie Nationaal Militair Museum;
  • Foto 4: uit Klewang, Catalogus van het legermuseum van J.P. Puype en R.J. de Sturler Boekwijt 2001;
  • Foto 5: uit collectie Nationaal Militair Museum;
  • Foto 6: uit collectie Museum Bronbeek;
  • Foto 7: uit collectie Museum Bronbeek;
  • Foto 8: uit privécollectie A.M. de Jong.

Sources:

  • Eerstehandvertelling Dutch DocuChannel (YouTube) – De slag om de Grebbeberg;
  • Eerstehandvertellingen (opa) A.D. Piris en (oma) M.C. Lekahena-Piris.
  • Voorschrift Scherm oefeningen 1921 (origineel in collectie Museum Bronbeek);
  • Voorschrift voor de opleiding in het vechten met de blanke wapens 1937 (origineel in collectie Museum Bronbeek);
  • Klewang, Catalogus van het legermuseum van J.P. Puype en R.J. de Sturler Boekwijt 2001;
  • Het KNIL van Tempo Doeloe, C.A. Heshusius, 1988;
  • Klamboes, Klewangs, Klapperbomen, Indië gewonnen en verloren, P. Heyboer, 1977;
  • Ambon door de eeuwen heen (Molukken), B. van Kaam, 1977;
  • Het Koninklijk Nederlands-Indisch leger 1830-1950, Een terugblik door H.L. Zwitzer en C.A. Heshusius 1977;
  • Sabel.net;
  • Indisch Militair Tijdschrift, 62e jaargang 1931 – No. 1. Artikel 7 & 7. Het gevechtschermen, artikel 12. Nogmaals het gevechtsschermen;
  • Indisch Militair Tijdschrift, 54e jaargang 1923 – No. 1. Article 7. Bewapening en moreel van onze infanterie;
  • Moluks Historisch Museum te Den Haag;
  • Nationaal Militair Museum te Soesterberg;
  • Museum en Veteranenhuis Bronbeek te Arnhem.

English Version

“Shrouded in legends, born in deadly combat”.

Introduction

Every Dutchman has heard of the klewang. If you practice H.E.M.A., a soldier, or a common civilian. But what is a Klewang?

The definition of a klewang also known as the Marechaussee-sabre, is a short hacking weapon or machete with a very sharp, almost straight or faintly curved one-edged blade, which widens to the point where it is cut straight or at an angle. This beak-point or clipped-point is very specific for this type of weapon. The hilt is almost like the well-known sabre hilt except that it only protects the right-side of the swordhand. The klewang is a right-hand-wielded weapon.

Compared to the sabre, the klewang is shorter, more robust and has similarities with a navy cutlass.

History of the klewang

The klewang has his origins in the former colonial Dutch-Indies, or present-day Indonesia.

During the 19th century, colonial actions and wars were fought in which the Dutch colonial forces, when it comes to fighting with bladed weapons (swords for instance), sustained heavy losses. This is due to the relative untrainedness of the soldiers on foot in sabre-fighting but also due to the long and heavy type of weapons they were using. Compared to the very swiftly wielded indigenous sword, the bayonet fixed on a Beaumont-rifle was also proven to be very slow. At a certain point the Dutch soldiers pleaded for a shorter, handier and more effective bladed weapon.

In 1873 the Atjeh-war broke out between the Netherlands and the sultanate of Atjeh, which lasted until 1913. At first the KNIL, or Royal Netherlands-Indies Army, sustained heavy losses and failed to bring Atjeh under Dutch colonial rule. The local inhabitants fought with great patriotism and courage, a superior guerilla-tactic and a far higher skilllevel when it comes to swordfighting. After a few years of war and failed attempts, the Dutch changed tactics.

The “Marechaussee on foot” was founded in 1890. This corps was specialized in offensive surprise tactics and conducted intensive patrols deep into the jungle. The Marechaussee on foot can be seen nowadays as Special Forces and not to be confused with the Koninklijke Marechaussee or Royal Constabulary.

The Korps Marechaussee were lightly armed with Klewang and carbine, allowing them to move quickly in the jungle. The carbine was a lightweight (three and a half pounds) and short (95 cm) weapon, ideal for the typically small indigenous soldiers.

The idea behind the use of indigenous soldiers (mostly Ambonese, Menadonese and Javanese soldiers) was that they were more familiar with the countryside, more accustomed to the climate and better skilled with the Klewang compared with the average European soldiers and for that better suited for counter-insurgency-warfare. Their equipment consisted out of a carbine, a dagger (Rentjong) and a Klewang per their own choice. The name Klewang was a widely-used name for all various kinds of swords used by the different native nations.

Because of the density of the jungle and the threat of being ambushed at any moment, the Klewang became more and more the weapon of choice which could be used the quickest and the most effectively. The KNIL recognized the great potential of the weapon and from 1898 on the Klewang became the standard bladed weapon of the Marechaussee on foot, the KNIL, the Royal Army, the Royal Navy, the Royal Marine corps and Policeforces of and in the Netherlands. The name was now attached to the weapon and that is how the klewang was born.

Hallmarks

The hallmark of the klewang is its typical point. A curved sabre-blade generally has an asymmetric one-edged point because the edge must connect with the blade-back which normally runs straight toward to the point.

A sabre-blade is usually curved and designed for a hack or a cut in which the curve of the blade is responsible for the result of the cutting-effect. With a straight sabre-blade that result was difficult to achieve but because of the mass of the weapon a hack or a cut always resulted in wound. Many sabres, however, were faintly curved so that, when the opportunity presented itself, a thrust could be delivered by the sabre. Because of this reason many curved sabre-blades were given from the 16th century on, a cutting-edge on the back of the blade. Those cutting-edges were given many shapes.

The point of the klewang is found in the middle of the width of the blad,e and the arch-shaped edge of the back of the blade remained asymmetrical and which resulted in the beak-shaped clipped point. It was very clear that the Klewang was intended to make a cut and a thrust. A nice side-effect of the clipped-point is that u can make holes in your belt much more easily according to a general. Besides the clipped-point, the shape of the hilt another typical hall-mark of the Klewang. Normally the hilt protects the hand completely but with the Klewang the hilt only protects the right-side of the swordhand. Bowl-shaped hilts like the ones on other sabres were found annoying because of the poking-effect in the wearers side so they cut of the annoying part.

Another hallmark is the length of the blade. Compared to other sabres this sabre is approximately 20-30 centimeters shorter. Soldiers found out that they could wield the weapon more easily. It doesn’t get caught up in things like the jungle and it doesn’t get tangled up between the legs. All those reasons put together resulted that the Klewang could be worn free of any annoyement or nuisance straight downwards on the hip of the soldier.

The Dutch also designed a pivoting frog so that the scabbard now could pivot and stay in the frog instead of being pushed out of the frog when for instance taking a prowning stance. One disadvantage is the shortened length of the blade which forces you to get closer to your enemy to take him out of the fight.

Specifications Klewang Pattern 1911

Material blade:                 springsteel

Handle:                                wood

Material guard:                springsteel

Weight:                                790 grams

Total length:                      760 cm

Length blade:                   620 cm

Thickness blade:              0,03 cm

 The different patterns

There are many different patterns made from around 1875 for the different armed forces but also as well for foreign armed forces.

Here is a summary of the 20 patterns known until now:

  1. Klewang pre-regulation patterns
  2. Sabre Marechaussee O.I. M.1898 I. stands for East-Indies, M stands for Pattern
  3. Sabre Marechaussee O.I. M.1905
  4. Sabre Marechaussee O.I. M.1911
  5. Sabre Marechaussee O.I. M.1940
  6. Klewang O.I. M.1941
  7. Klewang Heiho 1943-1945
  8. Klewang T.N.I. N.I. = Tentara Nasional Indonesia, Tentara = Army
  9. Klewang No.1 Royal Army M.1912
  10. Klewang Navy (Marines) M.1912
  11. Klewang Navy (Midshipmen)
  12. Sabre Royal Constabulary h.t.l. M.1908
  13. Klewang Royal Constabulary M.1913
  14. Klewang No.1 Police
  15. Klewang No.2 Police
  16. Klewang No.1 State Rural Police
  17. Klewang No.2 State Rural Police
  18. Sabre Cavalry O.I. old Model shortened 1904
  19. Sabre cavalry o.i. M.1904
  20. Naval Cutlass M.1917 U.S.A.

Each pattern has logically his own big differences compared to his predecessor but there are also big differences between the armed forces

  1. Klewang pre-regulation patterns, the name tells for itself: differences with each (later) pattern klewang because of its composition. The pre-regulationpatterns are composed of already existing sabrehilts like the sabre pattern 1876 and of blades of Atjehan origin;
  2. The sabre Marechaussee O.I. M.1898 is the first on large scale implemented pattern entirely of European design and manufacturing;
  3. The sabre Marechaussee O.I. M.1905 had 2 big differences: all steel and metal parts were painted blue and the tang was fastened by a screw instead of being riveted;
  4. The sabre Marechaussee O.I. M. 1911 had 3 big differences compared to the pattern 1905: the tang was kept wide just like the blade. It occasionally occurred that a tang would brake of at the guard leaving soldiers defenceless during combat. It also has smooth wooden handles instead of the typical sabre handles (ribbed wooden handles which were clamped together to the tang via a backcover) and the scabbard got a clampspring and a slightly larger chape (band of copper at the end of the scabbard);
  5. The Marechausseesabre M.1940. After the capitulation of Holland to Nazi-Germany the KNIL couldn’t order any more klewangs at Hembrug because the factory fell in German hands and logically couldn’t order at the German factories from Solingen. This pattern was constructed out of all available bits and parts made in the Dutch-Indies itself. It had black Bakelite handles instead of wooden ones, the steelstructure was a bit different and a slightly different curved blade and all brass parts were painted black;
  6. The Klewang M.1941 was made in America.  This pattern was rougher, heavier and the typical angles in rounding of the hilt were missing. Besides that, it had black wooden handles and the scabbard and frog were consistent out of one piece. The blade was stamped with the name of the manufacturer which were VINCE or Milsco (Milwaukee Saddlery Company);
  7. The Klewang Heiho.  Implemented by the Japanese after the invasion of the Dutch-Indies and distributed to the military and police auxiliary forces named Heiho and Keibodan, which consisted entirely out of “locals” preferably former KNIL-soldiers, the Japanese captured a lot of klewangs. The blade was shortened to 40-45 centimeters and from the hilt everything was cut off except a small guardplate. The scabbard was also adjusted. Because of these adjustments this pattern was made practically useless. You could imagine that when you have so many local auxiliary forces in your army, out of safety-precautions, you issue them an impractical type of weapon;
  8. The Klewang TNI characterizes itself through the poor quality of the weapon and that is was constructed of any parts people could find. At that moment, Indonesia was fighting a war of independence against the Dutch and everything people can lay their hands on was turned into a weapon;
  9. Klewang No.1 Royal Army M.1912. Weapon based on the klewang M.1911. Difference lays in the scabbard. Scabbards of the KNIL have external chapes while the scabbards of the Royal Army have internally chapes. This according Dutch tradition of used leather scabbards of bladed weapons;
  10. The klewang Royal Navy (Marine Corps) based on the klewang RA M.1912. This pattern replaced al the Navy Cutlass No. 1 and 2. The big difference here is in the scabbard. The scabbard doesn’t have an internal clampspring and because of that is slightly flat. Besides that, the leather is painted brown;
  11. The klewang Royal Navy (Midshipmen) also based on the pattern RA M.1912. Since 1950 all leather is painted white instead of brown;
  12. Sabre Marechaussee h.t.l. M.1908. This pattern is not a klewang but is derived from the short sabre no. 3 Royal Army as a counterpart of the Dutch-Indies Marechaseesabre;
  13. The Klewang Marechaussee M.1913. The hilt was based on the Cavalrysabre M.1904. The blade has a blunt edge and rounded point. Furthermore, instead of a leather scabbard this Klewang has a steel scabbard. Because the Royal Constabulary also rides horses there were some disadvantages for the leather scabbard. The leather would wear out faster because of the friction with the horse and horsesweat leaves stains on the leatherwork. Steel scabbards would long laster. Mandrins were included with the delivery of the steel scabbards to repair damages (dents and kinks).

Nevertheless, the klewang was worn by just the dismounted Constabulary. It appeared that the Klewang was too short when on horseback. The rider had to bent forward so much to be able to deliver a strike. Therefrom that the mounted Constabulary were equipped with the sabre at a certain point. With steel scabbards, of course;

Klewang Police No.1. Collectivename for all different mixed forms of klewangs which were manufactured since 1900 in small series for different policeforces. In general, there are 2 main hallmarks:

  1. Klewang Police No.1 with the hilt of the Marechausseesabre O.I. M.1911 and
  2. Klewang Police No.2 with the hilt of the Dutch-Indies Marechausseesabre M.1898/1905 or the Klewang Marechaussee M.1913.

The collectivename policesabres are used for Dutch-Indies Marechausseesabres of all different kind of patterns which instead of KNIL-stamps, have stamps of the Indische Algemene Politie (Indies General Police);

  1. Klewang Rijks Veldwacht No. 1. (State Rural Police). Collectivename for Klewangs No.1 however provided with a stamp RVW followed by a serialnumber;
  2. Klewang Rijks Veldwacht No. 2. (State Rural Police). Collectivenames for Klewangs No.2 however provided with a stamp RVW followed by a serialnumber;
  3. Sabre Cavalry O.I.  shortened M.1904. Official KNIL-indication of the in 1902 implemented shortened sabre pattern1975 with diminished basket and shorter blade provided with a clipped point and entirely painted blue;
  4. Sabre Cavalry O.I. M.1904. This Cavalrysabre had a basket derived of the Marechausseesabre pattern 1898 and was also called the “long klewang”.
  5. Naval Cutlass Pattern 1917. This cutlass was made in commission of the U.S. Navy and based on the klewang pattern 1911. At that moment, there were no blueprints at hand so a klewang pattern 1911 was copied and altered according the standards of the U.S. Navy. Big differences between this cutlass and the klewang were the basket which was entirely massive without cutouts as it was considered an sabre meant for boarding vessels, the steel was painted black instead of blue and the frog and the scabbard were one piece instead of being two separate parts.

The different manufacturers

Besides the difference in patterns of the klewang and belongings, there were also differences in the manufacturers of the weapon.

  • The pre-regulationpatterns were made of blades of local blacksmiths from Tjikeroeh at Java in combination with European hilts;
  • The Pattern 1889 was manufactured by German manufacturer Luneschloss from Solingen and Rheinische Metallwaaren- und Maschinenfabrik (RMM) from Sommerda;
  • The European patterns were made by a couple of German manufacturers from the region of Solingen (like Eickhorn) and the Artillerie Inrichtingen (A.I) at Hembrug in Holland until May 1940;
  • After the capitulation of Holland in 1940 the klewangs were made in the Dutch-Indies by the Artillerie Constructie Winkel (ACW) in Soerabaja and later in Bandung;

Besides that, the Werkplaats Draagbare Wapenen (WDW) was as part of the A.I. in the Dutch-Indies, also involved in the manufacturing of klewangs;

  • From 1941 on American companies started fabricating klewangs for the KNIL. Besides Holland and the Dutch-Indies, the United States of America was the only country that had klewangs in his armory. That was the Naval Cutlass pattern 1917. Vince started delivering klewangs in 1941 to the KNIL until the Dutch-Indies themselves were occupied by the empire of Japan. There were some deliveries of arms to different KNIL-forces relocated in Australia but the rest was confiscated by Uncle Sam for his own armed forces like the US Marines;
  • Milsco (Milwaukee Saddlery Company) delivered klewangs from 1947 until 1950;
  • After the wars the klewangs were decommissioned more and more or being totally worn out. So, replacements were needed and WKC from Solingen Germany appeared to be the only company in the 1980’s who could manufacture the klewang. WKC is the supplier of all other bladed weapons of the Dutch armed forces. WKC delivered klewangs Marechaussee pattern 1913 (the well-known chromed klewangs with steel scabbards) to the Royal Constabulary from then on.

Armed forces who use(d) the klewang

The klewang was used by the following armed forces:

  • The Royal Army;
  • The Royal Dutch-Indies Army (KNIL);
  • The Marechaussee on feet (element of the KNIL later merged in the KNIL itself);
  • The Royal Constabulary;
  • The Royal Navy;
  • The Marine Corps;
  • Corps State Police (1851 – 1993);
  • Corps State Rural Police (1858 – 1940);
  • Corps Policeforces (1919 – 1940);
  • Carbinebrigades (precursor Riot Police) (1911 – 1940).

Nowadays you can’t imagine it, but our police forces, just like foreign police forces, wore swords as part of their equipment. In most cases, they were just like the military pattern which was at that time in fashion but a tiny bit shorter. Cutlasses, foils and sabres were the most common bladed weapons. Before the introduction of the Municipal-law in 1851 and with it the founding of the Corps State Police, all policetasks were performed by the Royal Constabulary. The State Police operated within municipal boundaries. From 1858 the Rural State Police operated outside of those municipal boundaries.

In 1919 the Corps Policeforces were founded as an element of the Royal Army. It didn’t last long that these forces were deployed in riots, unrests and disturbances. You also had the so-called Carbinebrigades. They were equipped with the carbine, bayonet and the klewang. The carbinebrigades were the precursors of the modern-day Mobiele Eenheid (Mobile Unites) or better known as Riot Police.

foto carabine brigade

In 1940 after the capitulation of Holland to Nazi-Germany the “Occupation Marechaussee” was founded by the Germans. The Royal Constabulary, State Police, Rural State Police and Corps Policeforces were merged into the Gendarmerie der Staatspolitie (State Police Gendarmery). Actually, the first nationwide policeforce but still different than before. All forces were equipped with the klewang because the Germans captured a great lot as spoils of war.

After 1945 the Corps State Police was refounded and founded was the Landelijke Bijstandseenheden also knows as the Mobiele Eenheid (Riot Police). The ME was equipped with the Carbine M1 and the Klewang Army pattern 1912.

The ME used the klewang well into 1963 during the Boerenrellen (Farmerriots) in Hollandscheveld and in 1966 during the Telegraaf-riots in Amsterdam.

In 1968 was decided that the klewang and the sabre to be decommissioned.

As only other country in the world the United States of America also fought with the Klewang.

The best known pattern the Pattern 1911, was fabricated in the U.S. and was named the Navy Cutlass Pattern 1917. The US Marines were fighting with it during the war in the Pacific. Before the production of weapons for the U.S. armed forces, American companies like VINCE and Milsco were already manufacturing klewangs for the KNIL. That was before the Dutch-Indies were occupied by Japan. After that happened the US government confiscated al klewangs and distributed it to its own forces.

Operating mode or usage

The Klewang was, just like the sabre, in the first instance used as a stand-alone weapon. The troops were trained in the same method as they were trained in using the sabre.

Europese KNIL-soldiers training with klewang and carabine

But there are some mayor differences:

  • Because of its smaller dimensions the measure in which people are fighting in is decreased with all its consequences;
  • Because of its smaller and robust dimensions, the klewang was the weapon you brought with you everywhere you go, whatever you’re going to do, always. It was very quick to use, suitable for in small spaces and very suitable as a first-defence-weapon. In times of war troops were sleeping with a klewang in one hand because a bladed weapon was always ready for use in comparison with a firearm;
  • The klewang was particularly used in combination with a carbine. From 1895 this was the Mannlicher M95. This choice of weaponcombination at that time since the rifles and sabres in use were a bit too long and too heavy for local soldiers. Army command decided that their native forces had to be equipped with the carbine and klewang. This combination was physically better suited. The European soldiers stayed equipped with the rifle and bayonet because of their physique what was better suited for that combination. In due time this difference faded away and European troops were also equipped with the klewang and carbine.

By the way, officers were also equipped with a handgun and klewang.

In the Dutch-Indies you could be ambushed at any time of the day or night. If the threat was that big, the command “Sipak awas!” or “Ready-position” was given. The men formed the so-called “Hedgehog-position” and lined up in two rows back to back to give maximum protection and cover to each other. The klewang was drawn and the carbine locked and loaded. When the enemy attacked them, a shot with the carbine was fired from the hip. Because you had a bolt-action carbine, there was no more time to reload and fire for a second time. The enemy was so close that by the time you have reloaded, you could receive a blow by the enemies’ weapon with deadly consequences for the KNIL-soldiers. So, the right hand of the soldier already had a grip on the hilt of the klewang when the indexfinger squished the trigger and a shot was fired. Right after the shot the klewang was used as the primary weapon to deflect an enemy attack and when possible counterattack and taking the enemy out of the fight. The carbine was given a more defensive role as a protection of the left flank (per one manual. More about that later).

KNIL-patrol in hedgehog formation                                                          

As prescribed, the soldier must hold the carbine at the magazine with the left hand while the right hand holds the klewang. The klewang was attached to the wrist via a handstrap. A handstrap was a leather wrist strap what was attached to hilt of the sabre. The strap could be laid on the wrist via a loop and be tightened via a slider. The handstrap should prevent the drawn sabre for loss during combat or make it possible to fire a handgun with the sabrehand. Other forms of wrist attachments are a “troddle” and a sabrebrush or sabreknot. The handstrap was theoretically nicely made-up but practically it wasn’t handy to let the klewang dangle on the wrist while shooting a firearm hoping to get a good quick hold of the weapon when needed. Because of the length of the handstrap and weight of the klewang at the end of the strap, the soldier could do this movement immediately after firing and having the klewang at the ready. As told previously in times of combat en swift reactions such a thing can cost your life. Thankfully a trick was made up by the people who worked with the weapon.

To achieve a quick consecutively service of the two different weapons, the following smart solution was made up. The ringfinger and little finger of the right hand were hooked at the hilt just before the basket causing the basket to point backwards while the soldier holds his indexfinger at the trigger. Was the klewang needed immediately, a short (practiced) movement of the arm and turn of the wrist was enough to release the trigger, swing the blade forward, at the same time got a good hold of the grip with all fingers and make it ready for action. What speaks less to the imagination is that the klewang was used as a multitool. It was used for instance to chop down trees, making a path through the jungle, open kelappas (type of coconut), butcher wild animals like boars, dig latrines as a shovel or with the point make holes in leather belts and stuff.

The klewang did help to pacify the Dutch-Indies but keep in mind that it is a feared weapon. The klewang in the hands of a trained fighter can have terrible and deadly effects. Chopped off limbs and heads were no exception.

KNIL-patrol in an ambush

Today the Klewang is in use as a ceremonial weapon by the Royal Constabulary, by the midshipmen of the Royal Navy and the Van Heutsz-regiment of the Royal Army. The Van Heutsz-regiment is tasked to continue the traditions of the KNIL which was lifted in 1950). Nowadays most klewangs are in the possession of museums and/or in private-collections. Some individuals practice their martial art with this weapon. There are companies like the American Cold Steel who manufactures replicaweapons and WKC from Solingen Germany who manufactures klewangs for the Royal Constabulary. Training weapons are mostly modified sabres. Besides the actual weapon itself, there are countless military actionrapports, books and other written documents, photographs, pictures and other imagery being saved for the future and history. Compared to other historical sources it was not long ago that it was widely used.

The different ways of fencing

So far known by me the actively parrying with the carbine was already described in the Voorschrift Scherm Oefening (V.S.O.) from 1921. Prescription Fencing Exercise. In this prescription or manual the thrust has the preference of taking out an enemy during a klewang attack. After the thrust comes the hew. It was prescribed that the carbine was used actively to parry incoming attacks and subsequently disabling the opponent with the klewang.

Figures from VSO 1921

How exactly to fence must be examined further because this prescription was a recent discovery of mine. It is suspected that the barrel of the carbine is pointed towards the body instead of pointing from the body and trying to deflect blows with the woodwork of the carbine. This to prevent damage to the barrel so the weapon could still be fired. But the depictions tell otherwise.

The actively parrying with the carbine could also be seen in other European weaponcombinations through history. The combination could be compared to the sword and buckler, sword and parryingshield and rapier and dagger. Elsewhere in the Indonesian archipelago, you can find similar combinations. Most soldiers came from the former Dutch-Indies.

Just like the Maori from New-Zealand, the Alifuru (one of the native tribes from the Moluccan islands) had his own traditional wardance called the Tjakalele. In the Tjakalele the weapons used are the Parang (sword) and Salawaku (a rectangular shield). These Moluccan warriors were very skilled with the Parang and Salawaku and passed their skills traditionally on to their children. The way of fighting/handling their weapons are very close like the klewang and carbine. So for these people it was very familiar and easily mastered. Another better-known prescription or manual is the Voorschrift voor de opleiding in het vechten met de blanke wapens for short the VOVBW from 1937 (prescription for training in fighting with the bladed weapons). In this manual, something completely different is prescribed than what is written in the VSO from 1921. Here it is prescribed that the carbine isn’t allowed to actively parry incoming attacks. The carbine must be held tightly to the left of the body covering from groin to crown. The Klewang is used to parry incoming attacks and when possible disable the enemy with a counterstrike/hew or thrust.

Of course, it could happen that the carbine was used actively to defend oneself when in desperate situations. Whatever it takes to save your own life.

Figures from VOVBW 1937

From the depictions of both prescriptions you can clearly see the different stances (according to textbook examples) which one had to take to be able to fence in that way. In the years between 1921 and 1937 there was great discussion in the Indisch Militair Tijdschrijft (Indies Military Magazine) about the actively/passively usage of the carbine. As objection was raised against actively parrying was that a soldier could lose 4 of his fingers or his hand after a faulty parry. Another objection was that the carbine could be easily snatched out of the hand of the soldier and be used against him. There could be an economical reason behind the objections too. The loss or damage of a carbine is very costly. In the spirit of the crisis-years of 1920’s and 1930’s this could be a valid reason for trying to keep (undamaged) the carbine while in battle. Proponents mainly raised the argument that with actively parrying the soldier was better protected against enemy attacks. All arguments were supported by facts and numbers. A fine example was that there were a couple of soldiers were injured on the right arm and one soldier on the left arm by klewangattacks. After inquiry, they found out that all injured arms were so-called klewang arms. The “carbine-arms were all unharmed. The left arm injury appeared to be a left-handed soldier fighting with a right-handed klewang.

While western countries in Europe were training their armies in mainly in the use of firearms in combination with bayonet-fencing and even until the 2nd worldwar with cavalry, the colonial armies of Great Britain, France and Holland amongst others had to train for some other kind of warfare. In the colonies, they were not fighting against other western armies but against native armed forces who were fighting mainly with bladed weapons and with a totally different tactic and strategy. This also applied for the KNIL. The KNIL had to learn to shoot with firearms but also had to learn how to fence with a Klewang and with a rifle/carbine fixed bayonet. These soldiers had to learn how to fight opponents armed with other firearms, klewangs, klewangs and daggers, fixed bayonets, sabres, sword and shield, lances, lances and shield and even in the Politional Actions against freedomfighters armed with pointed bamboo spears.

As a soldier back in the days, there was a lot of training to do. In the Netherlands policeforces were also equipped with the Klewang. However, these weapons were all blunt, a blow does strike hard when it hits you. The point however remained sharp because it is a point and that it can kill. Urban legend says that a police officer drew his klewang to stop a drunken man’s assault by frightening him. The drunken man did stop eventually after running in the klewang entirely to the guard. The point was that sharp that it ran the man through because of the man’s momentum. Ultimately, people were more intimidated by a bladed weapon than a baton (and still are).

The different meanings of the Klewang

The Klewang has a different meaning for anyone. To any common man, it is just a sword. For an armscollector it could be just another collectible. For someone who trained and used it, it could refer to a specific moment in life.

The Klewang also has a specific emotion to others. Moluccan KNIL-soldiers and their offspring claimed the Klewang as their own and in their circles the weapon has a legendary status. It represents something for which they stand for. But long before that the Klewang was already shrouded in clouds of myths and folklore. Within H.E.M.A. we do have a unique position because there are still some people alive who had worked with this weapon in contradiction to the 15th century longsword for instance). One firsthand story is that of a Dutch armysoldier when fighting in the battle of the Grebbeberg against the Germans in 1940, he couldn’t use his firearm in risk of detection. So he drew his klewang and took out his two enemies (putting it mildly).

There even are KNIL-veterans alive who could tell a tail and even show you a trick or two how to handle the weapon. That’s better than learning from a book. But haste is required because these men are at a high age and because of old age they can’t be around us for long. I had the pleasure to meet some of those veterans at the veteranhospital for KNIL-soldiers at Landestate Bronbeek at Arnhem, Holland. Luckily their stories are being recorded and written down by family members or people working for institutions like the KITLV, Veteranhospitals, historians and museums.

In the meantime, I have been practicing H.E.M.A. for a couple of years now and I also got interested in the sabre and from that point naturally in the Klewang. From that moment on I have been studying the Klewang itself, learning all accessory fighting styles and weapon combinations and everything around it. Even took up re-enacting as a KNIL-soldier. All-in all, it is a very big job because it isn’t just a martial art but it also contains a whole life what surrounds it. That could be very emotional.

Besides that, the Klewang is one of my favorite weapons, it is also part of our cultural-historical heritage. At this moment, there is a very big interest in the time of the former Dutch-Indies, the KNIL and the second worldwar in Asia. Little is known by the general Dutch, Moluccan and Indonesian public. The generation who lived in those times, is slowly disappearing because of old age. Many (grand)children don’t know what their parents and familymembers went through. The elders are reluctant to talk about it because there is much of old pain what builded up through all the years. the (grand)children have reached an age that they do want to know what went on back then. I am no exception. Unfortunately, my own grandparents have gone but there are others left who can tell more of their stories how life was back in the days and to tell of our origins. I always loved history and it is good to know one’s origin.

So, I am from Dutch-Moluccan origin. My Ambonese grandfather and many other familymembers served in the KNIL as soldiers. For many Ambonese men, it was an honor to be a soldier in the KNIL because they were considered elite-troops. With great pride, many stories were told by my grandfather and grandmother about their (soldier)life in the Dutch-indies before they were shipped out to Holland in 1950 on army service command. It all had to do with the independence of Indonesia. My grandfather had to hand over his armykit and his Klewang but he could keep his honor and stories who he could share with his (grand)children.

I sincerely hope that because of my fascination, practision, studying and education that that part of our history can be held alive with pride and with honor for future generations so that we would never forgot. If we do forget, it would be an eternal shame.

A.M. de Jong himself

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.